HEEMLAND 11

 

LINKSE BEKOMMERNIS

Het negende nummer van Heemland is waarschijnlijk het interessantste tot nu toe. Niet alleen laat het de mogelijkheid zien van de partij-onafhankelijke opstelling, ook gaat het volledig over de twee onderwerpen die mij als nationalist het dichtst aan het hart liggen; de natie en het nationalisme. Toch mogen bij dit themanummer enige kanttekeningen en aanvullingen geplaatst worden, onder andere over wat Giesen noemt "intellectuelen in linkse en liberale kringen". Er lijkt een nieuwe relatie van socialisten met de natie gelegd te worden.

Het geflirt met de natie bij Links

Het is tegenwoordig mode om te beweren dat de sociaal-democratie ‘altijd al nationaal georiënteerd’ is geweest. Een voorbeeld is Thijs Wöltgens in "Een nieuw beginselprogramma voor de PvdA?" (november 1996) die schrijft: "Ondanks alle beleden internationalisme is de nationale staat voor de sociaal-democratie bij uitstek het vehikel van haar politieke ambities geweest". Of De Beus, in Socialisme en Democratie van januari 1997, die stelt dat de "uitzichtloze dilemma’s van de natie-staat" die volgens hem uiteraard alle politieke stromingen treffen, "toch in het bijzonder de sociaal-democratie treffen, die immers de nationale overheid als bastion heeft, en niet de kerk of de ondernemingen." André Gerrits in het ongebruikelijk intelligent geschreven artikel "Sociaal-democratie tussen nationale staat en Europese integratie" (S&D maart 1997) is echter veel nauwkeuriger als hij spreekt over de nationale staat als "het instrument bij uitstek waarvan de sociaal-democratie zich bediende" (blz 100). Het zijn voorbeelden uit vele.
Toch is deze plotselinge ‘altijd al’-houding een vreemde gewaarwording voor mensen die het socialisme vooral herinneren als een stroming volgens welke het nut van Nederland bestaat uit het verlenen van ontwikkelingshulp, het actief ondersteunen van allerlei linkse dictaturen in de tweede en derde wereld, collaboratie met de Europese bureaucratie en onvoorwaardelijk meelopen met de VN. In het nooit door iemand serieus genomen, maar nog altijd geldige PvdA-beginselprogramma van 1977 wordt nergens over de nationale staat gerept. Pas in het verkiezingsprogramma van 1994 floept het begrip ‘natie-staat- weer even te voorschijn.

De nationale gedachte bij de SDAP

Het is echter niet onverstandig zich te realiseren dat ‘altijd al’ pas begint in februari 1937, toen de toenmalige SDAP in een nieuw beginselprogramma onder andere artikel 22 aannam, "waarin ze de nationale gedachte volmondig accepteerde". Het bewuste artikel begint met: "De Sociaal-Democratische beweging weet zich door historische lotsgemeenschap deel van de Nederlandse natie", en zegt even later: "In en door haar strijd heeft de arbeidersklasse zich een plaats in de nationale volksgemeenschap verworven". Voor het grootste deel bestaat het artikel uit stellingen die precies omgekeerd bewijzen dat in de SDAP de anderhalve voorstander van ‘de nationale gedachte’ het pleit juist verloren had.
Terecht wordt Wiardi Beckman dor historici onder wie prof. van Sas genoemd als de grootste voorstander van die nationale gedachte in de SDAP; zijn rede van 1934 voor de Arbeiders Jeugd Centrale wordt graag aangehaald. In die rede – ik baseer me hier op gegevens van zijn dochter in S&D van maart 1996 – probeert hij eerst aan te tonen dat socialisme noch marxisme ooit anti-nationalistisch zijn geweest, tracht hij te bewijzen dat de sociaal-democratie altijd al de nationale gedachte had aanvaard en zegt hij over de beweging; "Haar einddoel is de internationale gemeenschap, die – Troelstra zei het reeds – slechts opgebouwd kan worden uit gezonde nationale elementen" (sic" en nog veel meer moois, zoals de bewering dat de sociaal-democratie zich keert tegen "de misvorming van de nationale gedachte tot nationalistische verdwazing".
Evenwel, artikel 22 geeft toch de voorkeur aan: "de door haar nagestreefde opheffing van de klassentegenstellingen zal de sterkste belemmering voor de totstandkoming ener werkelijke volkseenheid wegnemen" en "Hoewel de socialistische voortbrengingswijze slechts op internationale grondslag volledig kan worden verwezenlijkt, acht de SDAP het haar taak om, voor zover dat binnen nationale grenzen mogelijk is, het economisch leven in socialistische richting te leiden". Commentaar overbodig? De in die tijd bekende publicist A. Scheffer vond toen van niet en zei over het gehele programma: "Nieuwe waarden werden aan het geestelijk bezit toegevoegd: het besef van lotsverbondenheid met heel het volk, de prioriteit en onvoorwaardelijkheid van het democratisch beginsel, de erkenning van de betekenis van een krachtige monarchale traditie in een chaotische wereld".
Ja, het was een interessant congres waar door de voormalige pacifisten ook het principe van de ‘nationale verdediging’ werd aangenomen en irrationeel – het favoriete argument tegen nationalisme – werd meegehost met de burgerlijke Oranje-hausse. Je kan samenvatten dat in 1937 voor ieders oog de SDAP door de mand viel als een ‘beweging’ met een te geringe aanhang en zonder authentieke ideologie. Er werden geen nieuwe principes gekozen, maar de al ingezette aanpassing aan de burgerlijke denkwereld werd versneld doorgezet. Willem Drees zou uiteindelijk na de oorlog uitgroeien tot de exponent van deze aanpassing-in-plaats-van-ideologie stroming. In de Sociaal Democraat van 13 maart 1937 formuleerde hij het nog aldus dat "politiek leider Albarda de voorstanders van de vernieuwing een kans had gegeven, zij het voorzichtig, om de marxistische vleugel niet te zeer te frustreren".

De nationale gedachte bij de PvdA

Ik sla het tijdperk van Drees hier verder over, evenals de periode van Nieuw Links en van het protest tegen de oorlog in Vietnam, en hervat mijn verhaal bij de val van de Muur in Berlijn. De reactie in West Europa op het nationalisme dat overal in Oost Europa opleefde, is bekend. Eerst probeerde men het te negeren, te ontkennen en te verdraaien. Daarna kwamen allerlei pogingen om het op diverse manieren te bestrijden. Vooral van de kant van ‘links’ is deze houding niet verwonderlijk. Want terwijl zowel de sociaal-democratie als extreem-links in een diepe ideologische en electorale crisis zaten, bleek tot hun ontluistering dat het wel degelijk mogelijk was om eind jaren ‘’80, begin jaren ’90 grote mensenmassa’s enthousiast op de been te brengen, en dan niet voor het socialisme of marxisme! Van de partijleiding van de PvdA mocht Thijs Wöltgens een ideologisch proces van herijking inzetten. Paul Scheffer en zijn maten waren daar jaren eerder al uit eigener beweging aan begonnen, tegen de officiële PvdA-stroom in. In Heemland zegt Mart Giesen in "De zorgen van een linkse intellectueel" over hem: "hij komt oprecht over". Ik deel deze verzuchting, welke je ook zou kunnen formuleren als "in hoeverre is Paul Scheffer in deze oprecht?". Nu is Scheffer een moeilijk te plaatsen persoon; in tegenstelling tot het gemiddelde PvdA-kopstuk, dat zich vooral kenmerkt door bruine ellebogen en ego-cultuur, is hij eerst en vooral een mens van buitengewone eruditie en scherpzinnigheid. Het is daarom niet verwonderlijk dat hij al in een pril stadium vroeg om zo’n ideologische herijking; eigenlijk al voordat gedacht werd dat de PvdA voor een electorale vrije val stond. Aldus zouden zijn ideeën en publicaties gezien mogen worden als oprechte wetenschappelijke kritiek op de houdbaarheid van de sociaal-democratische theorie.

Hoe oprecht zijn socialisten?

Maar vergeten we vooral niet dat Scheffer ook de man is die met Jos de Beus en Paul Kalma in september 1995 het idee van de brede linkse volkspartij weer van stal haalde. Dat idee is bijna net zo oud als de weg naar Rome. Elke keer als de PvdA electoraal in de klem dreigt te komen, horen we de brede volkspartij weer langskomen, vaak met de suggestie dat ‘rechts’ maar iets vergelijkbaars moet doen. Bijvoorbeeld in het begin van de jaren ’70, toen de PPR veel, vooral jonge kiezers aantrok. Of in maart 1992 bij monde van wonderboy Felix Rottenberg, toen D66 in de oppositie ‘slapend rijk’ zat te worden. Het driemanschap de Beus-Scheffer-Kalma deed dus niets anders dan een oude prak opwarmen, zij het wat netter en slimmer opgediend. En zoals altijd lijkt de idee van de linkse volkspartij bij nader inzien toch niet meer zo interessant als ‘toevallig’ de peilingen of verkiezingen weer herstel voor de PvdA te zien geven. Men leze De Beus in S&D van januari 1997, in welk geschrift hij zich in duizend-en-één bochten wringt om toch maar met nadruk te ontkennen dat zijn revisie iets met de "kiezersaanhang" te maken heeft. Helaas moeten wij ons dus blijven afvragen wat bij Scheffer nu de doorslaggevende overweging is: theoretische filosofieën omtrent de sociaal-democratische ideologie of toch machtspolitiek en electoraal gewin. In zijn nadeel pleit natuurlijk de consequentie van één linkse partij. Je zit daarmee nog maar een halve stap bij een twee-partijen-stelsel vandaan, en dat is weer geen hele stap weg van een één-partij-dictatuur; zie bij voorbeeld in Engeland de Thatcher-Major-jaren en in de VS de Reagan-Bush-periode. Wie voor zo’n ‘Volksfront’ kiest, deklasseert zichzelf als democraat; ook al heet hij Paul Scheffer.

Het nut van de natie voor de sociale vrede

Toch zie ik ook een positieve kant aan de linkse ‘bekommernis’ om de nationale staat; het nationalisme wordt ineens bespreekbaar. Als straks de nationale mode in linkse kring weer over is, is dàt niet meer terug te draaien en heeft het wel wat extra munitie en gereedschap achtergelaten voor de nieuwe voorvechters voor de natie. Dat die mode overdrijft, staat vast; ook al hebben een paar lieden nu wel geprobeerd de wervingskracht van de natie voor links te behouden. Naast Scheffer zou daar ook Arie van der Zwan genoemd moeten worden. Op donderdag 30 januari 1997 hield hij een korte, interessante rede op een congres van de Wiardi Beckman-stichting in verband met een nieuw beginselprogramma voor de PvdA. Anders dan in zijn gelijktijdig verschenen artikel legde hij minder nadruk op economie en meer op de ideologische en psychologische functie van de natie. Hij besloot deze rede voor een nogal afwijzend publiek met de stelling dat de PvdA meer behoefte heeft aan een nieuw beginsel dan aan een nieuw beginselprogram! Het opmerkelijke aan deze geschiedenis is evenwel dat Van der Zwan deze eerste poging niet meer echt doorzet, zodat we ons ook bij hem af kunnen vragen hoe oprecht hij is?

Het verlichte nationalisme van Arie van de Zwan

Zijn artikel "Verlicht nationalisme als de werkelijke uitdaging voor paars", in een vooraankondiging geheimzinnig "prudent nationalisme" genoemd, verscheen in het S&D-nummer van januari 1997. Ik heb me in eerste instantie geërgerd aan de nadruk op de economische, materialistische argumentatie, maar feitelijk is het juist de sterke kant van het artikel. Het is goed om op te merken dat hij het pleit niet ingaat als nationalist, maar als iemand die het socialisme bij lange na niet afgezworen heeft. De hoofdmoot van het artikel zou ik een pleidooi voor sociaal en economisch onafhankelijke staten willen noemen. Hij geeft een beschrijving van de huidige kapitalistische situatie, met de sterk internationaliserende economie en een primaat van die economie over landspolitiek en sociale structuur. Hij constateert dat deze situatie zichzelf niet kan onderhouden. bovenal leidt het tot sociale wantoestanden. In het kernstuk van zijn betoog zet Van der Zwan de actuele ideeën van de auteurs Guéhenno en Lind naast elkaar als typevoorbeelden van de twee denkrichtingen. De ideeën van de eerste komen erop neer dat de lijnen van de huidige ontwikkeling van meer internationalisering en grotere sociale wantoestanden worden voortgezet. De denkbeelden van Lind zijn geheel anders van richting. Hoewel Lind feitelijk de toestand in Amerika beschrijft, zijn de paralellen met Europa verbluffend. Hij pleit voor het herstel van de machtsbasis van de nationale staat en een revival van het nationale elan. Vernieuwing van de grondslag van de nationale staat komt primair tot stand door oplossing van de sociale kwestie. Lind stelt het volgende radicale vierpunten-programma voor:
Beperking van de immigratie, waardoor de concurrentiepositie van de onderklasse gevoelig wordt verbeterd; effectieve maatregelen tegen het optreden van internationale speculatie in valuta die nationale regeringen beperkt in hun mogelijkheden om een sociaal verantwoord beleid te voeren; heffing van ‘sociale rechten’ op de import van goederen ter bescherming van de economische activiteiten binnen de landsgrenzen, waardoor de economie weer iets honkvaster wordt gemaakt; en oorlog tegen de oligarchie die de positie en voorrechten van de bovenklasse effectief afschermt van de concurrentie die aan de onderklasse wel wordt opgelegd.
Van der Zwan volgt op hoofdlijnen de koers van Michael Lind. De voorstanders van het internationaal kapitalisme krijgen repliek met feiten en argumenten, die zijn conclusie moeten versterken dat het de mensheid niet zal lukken zonder de onafhankelijke nationale staat. Voor ons nationalisten is dit geen verrassing, maar het is interessant om dit eens langs de economische weg aangetoond te zien. Het artikel begint trouwens met de waarschuwing: "de economische democratie is het vraagstuk waarmee ik me in dit artikel bezighoud". Hij komt aan het eind van zijn stuk in de problemen als hij zijn nieuw ontdekte nationale staat idealistisch en ideologisch tracht in te vullen; het is een aandoenlijk en amateuristisch toneeltje. Maar op dat moment heeft het artikel zijn nut allang opgeleverd. Zijn gehaspel aan het eind laat zich gemakkelijk verklaren uit het feit dat nationalisme en socialisme in essentie twee verschillende politieke filosofieën zijn, ook al overlappen ze mekaar in belangrijke mate. Deze twee politieke systemen willen allebei het algemeen belang dienen vanuit een specifieke invalshoek van de sociale klasse en het sociale vraagstuk, respectievelijk de nationale organisatie en eenheid.

Praktische tip van een nationalist

Tot besluit is er nog een aangename verrassing voor wie door alle intellectuele bemoeienissen denkt dat nationalisme een theoretisch topzwaar fenomeen is. Dat is het namelijk niet! Het is voor het ontstaan, noch het voortbestaan, noch de structuur afhankelijk van wat voor theorie dan ook. Om concrete nationalistische punten in het programma van een politieke organisatie te krijgen, is goede wil en een beetje inzicht al voldoende.

Frans Becker van Zuylen

 

 

Terug naar Heemland 11, Ten geleide

terug naar heemland 1997-98

Naar Heemland 11, Partijpolitiek